| DIEDERIK VAN VLEUTEN 2.33. De geschiedenis van zusje Suzanne (4) Died: Waarom praten wij niet? Arie: Dat weet ik niet. Zo zijn we niet opgevoed. Died: Pa en Ma praten ook nooit. Arie: Die zijn ook niet zo opgevoed. Died: Opa en Oma praten ook niet. Arie: En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Died: Maar ome Jaap praat wel. Arie: Maar ome Jaap is gek. Died: Wist jij dat ome Jaap een van de eersten was die langskwam toen hij het gehoord had? Met zo'n bos bloemen. Arie: Toen we met de wagens naar de begraafplaats reden stonden ze allemaal langs de kant van de weg. Dikke Stam, Dunne Dekker, Kale Zwart. Knipperbol. Bertus Broodjager. In de regen. Met de hoed in de hand. Died: Maar als het zo is dat niemand van ons ooit heeft leren praten, wij niet, pa en ma niet, opa en oma niet, ga zo maar door, zo ver als je maar teruggaat in de tijd, dan klopt het niet wat meester van Coevorden altijd zei: In den beginne was het Woord. Arie: Meester van Coevorden heeft pa en ma ooit een brief geschreven. Died: Meester van Coevorden heeft pa en ma een brief geschreven!? Arie: Die draag ik altijd bij me. Hier. Died: Een brief.. Arie: Jij je koffertje, ik mijn binnenzak. Arie pakt de brief uit zijn binnenzak en overhandigt de brief. Died: Geachte ouders, Uit de krant heb ik moeten vernemen dat uw dochter is overleden. Ik heb haar niet persoonlijk gekend. Wel heb ik Arie en Diederik in de klas gehad. Het waren jongens met een goed hart. Door hen voel ik mij betrokken bij dit verlies. Waarom wij hier op Aarde zijn en waar wij uiteindelijk heengaan weet alleen de Allerhoogste. Ik wens u en uw jongens veel sterkte. Hoogachtend, meester van Coevorden. P.S. De spreuk bij de rouwadvertentie ontroerde mij zeer. Died: "Mijn laatste groet is voor hen die mij in mijn zwakheid kenden." Arie: "En mij toch liefhadden." | ![]() |
| verder lezen |