| DIEDERIK VAN VLEUTEN 2.27. Terlenkabroek. Arie: Dus moesten we in onze terlenkabroek. Maar mijn terlenkabroek had geen lusjes voor een stoere riem. En wie geen stoere riem heeft die kon het wel schudden bij de meisjes. Meisjes zijn ook niet gek. Dus kocht ik een stoere riem en vroeg aan Suzanne of ze lusjes aan mijn broek wilde maken. Died: En dat deed ze? Arie: Ja. Maar ze maakte de lusjes van een andere stof. Had ik een stoere riem maar met de verkeerde lusjes. Zo ging ik natuurlijk niet naar het strand. Dus zat ik zondags thuis en jij op het strand. En niet in je terlenkabroek maar gewoon in je spijkerbroek. Maar dat mocht niet. Maar je deed het wel. Jij deed alles. Ook alles wat God verboden had. Died: Dat doe ik nog steeds hoor. Mag ik jou eens een gewetensvraag stellen? Arie: Nee. Died: Waarom drink jij niet meer. Arie: Omdat het niet lekker is. Died: Waarom dronk je eerst dan wel? Arie: Om dezelfde reden waarom jij nog steeds drinkt. Died: Ik drink omdat ik het lekker vindt. Arie: En ik omdat ik het lekker vond. Died: Zeg je gezelligheid, dan zeg je HET WAPEN VAN NOORD-HOLLAND. | ![]() |
| verder lezen |