DIEDERIK VAN VLEUTEN
2.25. Over de Schepping, en Gods ongezonde haast.

Died:
Ik ben bang dat ik je moet teleurstellen. Dat koninkrijk Gods breekt helemaal nooit aan. Dat is het best bewaarde geheim van de hemel. Dat het nooit aanbreekt. God had eeuwen geleden een soort corso met praalwagens in gedachten maar dat heeft Hij afgelast. We kunnen trommelen wat we willen maar God hoort ons toch niet meer. De hele schepping, dat is God indertijd teveel geworden. Hij moest het zonodig allemaal in een week doen. Eeuwenlang was er niets, de aarde was woest en ledig, duisternis lag op de vloed en de geest Gods zweefde over de wateren. En opeens krijgt God een idee: weten jullie wat? Ik ga de wereld scheppen. In zeven een week. Wedden dat ik dat kan? De eerste dag meteen maar het licht, en Hij zag dat het goed was. Logisch, als je geen enkel vergelijkingsmateriaal hebt. Daarna de dag en de nacht, ook goed, daarna de dieren, de bomen, de planten, wat al niet, allemaal goed en dan op de zesde dag de mens. En Hij zag ook dat het goed was. Maar in plaats van de zevende dag even te kijken of het echt goed was, nee hoor, dat was Zijn rustdag. Omdat Hij in al die duizenden eeuwen precies zes dagen gewerkt had! Zo, dacht God, en nou eerst een Bavaria.

Wat leerden ze ons ook alweer? Gedenk de sabbathdag dat gij die heiligt.

Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen maar de zevende dag is de sabbath van de Here, uw God. Dan zult gij geen werk doen, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw stede woont.

Died:
Noch Arie en Diederik noch Suzanne.

  verder lezen