| DIEDERIK VAN VLEUTEN 2.16. Landschap. Died zingt: In de weiden grazen de vreedzame dieren de reigers zeilen over blinkende meren de roerdompen staan bij de donkere plas en over de uiterwaarden galopperen de paarden met golvende staarten over golvend gras Arie: Wat was dat? Died: Dat was Marsman. Arie: Dus die bestaan echt. Died: Nog nooit van Marsman gehoord? Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan, rijen ondenkbaar ijle populieren als hoge pluimen aan de einder staan. En in de geweldige ruimte verzonken de boerderijen verspreid door het land, boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een groots verband. De lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord, en in alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord. Arie: Ik ben meer een stadsmens. Died: Marsman. Verzamelde Gedichten. Arie: Wat leuk. Ik verzamel postzegels en sigarenbandjes. Al die kimmen en einders en horizonnen. Ik ben blij dat ik er weg ben. En ik hoop dat er nooit meer terugkom. Ik snap niet dat Pa en Ma daar nog steeds wonen. Died: Ik wel. Arie: En ik niet. Dat dorp met altijd maar diezelfde figuren, diezelfde koppen met dat rare gepraat. Over niks. | ![]() |
| verder lezen |