DIEDERIK VAN VLEUTEN
2.11. Schaatsen.

Died:
'Vergeet het uur dat je gelukkig was,
want alles gaat voorbij zoals het moet.
Hoor, hoe het ijs zingt in mijn glas,
De winter is gekomen en nu voorgoed.'

Wanneer hebben wij eigenlijk voor het laatst geschaatst?

Arie:
Wij? Geschaatst? Weet ik veel. Winter van'78? Hoezo?

Died:
Toen had jij toch die Friese doorlopers nog.

Arie:
Die heb ik nog steeds. Jij had stalen Noren. Ik kreeg pas Noren als jij er uitgegroeid was. Terwijl ik de oudste was. EN jij had maat 45.

Died:
Ik moest altijd op jou wachten. Jij kon niet schaatsen, jij kon alleen maar remmen.

Arie:
Jij schaatste lekker. Jouw linkerslag was te lang dus je lag altijd in het riet. Aan de RECHTERKANT.

Died:
Ik kwam ten minste vooruit.

Arie:
Precies. Tot het bruggetje.

Died:
Was overmacht.

Arie:
Je schaatste voor me uit, je draaide je om, "Arie, er komt straks een bruggetje." Pats! Dag, Diederik, met de groeten van Heras Hekwerk in je voorhoofd. Ik zou gewoon geremd hebben.

Died:
Want dat kan jij zo goed. Vooral op een ijsbaan met mooie meisjes.

Arie:
Was domme pech.

Died:
Jij zou wel eens even indruk maken op de meisjes. Door hard te remmen want dat was stoer. Komt'ie aan, op zijn doorlopers, voetjes dwars, remspoortje. Dag blonde paardestaart, heb je een vuurtje voor me, of hoe oud was je helemaal, heb je een vuurtje voor me? Nee, ze had geen vuurtje voor je maar wel een blauw oog. Met de groeten van Peter Stuyvesant. En de gekartelde afdruk van een witte kunstschaats in je reet.

  verder lezen