| DIEDERIK VAN VLEUTEN 1.6. Jongensdroom. Died en Arie: Ik lig in mijn bed, ik ben pas negen, morgenochtend ben ik weer alleen. Niemand uit zijn klas wil met me spelen, en ik word geplaagd door iedereen. Ik kijk naar mijn papieren helden aan de muur, Al die sterren schijnen zo dichtbij. Ik lig in mijn bed, ik ben pas negen, en droom dat ik ooit net zo word als zij. Dan ben ik de grootste dan ben ik de sterkste dan zal ik nooit bang zijn dan zal ik altijd winnen Dan ben ik de grootste dan ben ik de sterkste dan zal ik nooit bang zijn dan zal ik altijd winnen Ergens waar ik bijna niet kan komen daar ben ik de held van iedereen. En ze willen alles van me leren, want hoe alles moet weet ik alleen. Het is een land ver weg met altijd zonneschijn, het is een land voorbij de horizon, Ergens waar ik bijna niet kan komen, en er vliegen witte duiven rond. Daar ben ik de grootste daar ben ik de sterkste daar zal ik nooit bang zijn daar zal ik altjd winnen daar ben ik de grootste daar ben ik de sterkste daar zal ik nooit bang zijn daar zal ik altjd winnen Ik lig ik mijn bed, ik ben pas negen, in mijn dromen ben ik mijn idool, Mamma zegt dat ik nu moet gaan slapen, morgenochtend moet ik weer naar school, En zal ik alleen zijn Nu niet meer dromen, nu moet ik slapen, nu moet het licht uit, ik ben een grote jongen, Nu niet meer dromen, nu moet ik slapen, nu moet het licht uit, ik ben een grote jongen, | ![]() |
| verder lezen |