DIEDERIK VAN VLEUTEN
1.20. Oorlogstoerisme en heldenverering.

Died:
Ja Arie, dat is mijn leven. Zomer 1982. Gezellig met mijn vader op vakantie in Noord-Frankrijk. Gezellig met zijn tweeën de Engelse oorlogsgraven bekijken.

Arie:
Maar je hoefde toch niet mee?

Died:
Nee.

Arie:
Maar je ging toch.

Died:
Ja.

Arie:
Vrijwillig.

Died:
Ja.

Arie:
Als vriend.

Died:
Ja.

Arie:
Als gelijkgezinde.

Died:
Ja.

Arie:
Als zoon van je vader.

Died:
Ja.

Arie:
Van dezelfde vader die zijn zestigste verjaardag vierde in een koetsje.

Died:
Twee koetsjes.

Arie:
Maar dat mocht niet van jou.

Died:
Nee.

Arie:
Want jouw vader moet een held zijn.

Died:
Ja.

Arie:
En helden rijden niet in een koetsje.

Died:
Twee koetsjes.

Arie:
Helden vliegen door de lucht. Helden varen naar Indië. Helden leggen een polder droog. Helden schieten met buitenkant rechts een luciferdoosje van de lat.

Died:
Of met buitenkant links.

Arie:
Helden verliezen niet.

Died:
Nee.

Arie:
Helden verliezen nooit.

Died:
Nee.

Arie:
Behalve captain Martin. Misschien wilde je vader je dat wel in Frankrijk laten zien. Dat je ook kunt verliezen. Dat sommige mensen gewoon mensen zijn. Van vlees en bloed. Zoals je vader bijvoorbeeld. En hij kon dat alleen maar laten zien omdat jij niet luistert. Jij luistert niet. Jij luistert nooit.

Died:
Ik hoor je wel.

  verder lezen