| DIEDERIK VAN VLEUTEN 1.15. Hoe warm het is in Suriname. Died als Surinamer: Zodra de zon opkomt staan we op. We wassen ons, we kleden ons aan. En zodra we buiten komen denken we meteen: Wah! wat is het warm! Als het nu al zo warm is, hoe moet het dan op het midden van de dag wel niet zijn, wanneer de zon haar hoogste punt bereikt heeft? Wij vrezen met seer grote vreze. We zoeken een plekje in de schaduw van de grote boom in het midden van het dorp en we wachten het middaguur af. We zien de zon klimmen, hoger en hoger en hoger en onze vrees wordt bewaarheid: want hoe hoger en hoger de zon klimt, hoe warmer en warmer het wordt. Niemand beweegt meer en niemand zegt meer wat maar we horen elkaar als het ware denken: het zal toch niet nog warmer worden? En jawel hoor! Weldra bereikt het kwik de maximale waarde waarbij enig menselijk leven nog mogelijk is. De vrouwen zuchten, kinderen huilen en hier en daar legt een oude van dagen het loodje. Al wie nog kracht heeft bidt tot de Goden of het misschien minder warm mag worden. Een heel klein beetje maar, daarmee zouden wij al erg geholpen zijn. En weh! Ons gebed wordt verhoord. Langzaam begint de zon te zakken en met het zakken van de zon wordt het steeds iets minder warm. Eén voor één komen we onder de grote boom in het midden van het dorp tevoorschijn en wij begeven ons huiswaarts. Onze schaduwen worden langer en langer tot wij tenslotte de zon als een enorme vuurrode bal in het Westen ter kimme zien neigen. De zon gaat onder. Opgelucht halen wij adem en thuisgekomen onsteken wij onmiddelijk de vuren. Want ik zal je dit zeggen: als in het land waar ik woon de zon eenmaal onder is...dan wordt het toch koud! | ![]() |
| verder lezen |