DIEDERIK VAN VLEUTEN
1.1. Wanneer de lente nadert.

Arie scheert zich, en zingt een met vrolijk Amsterdams vibrato al scherend een lied. Zeer luid.

Arie:
Wanneer de Lente nadert,
dan lacht haast iedereen.
De zon die gaat weer schijnen,
dat zien ik rond me heen.
Ook zien ik lieve lammetjes,
dartelen in de wei,
maar ik word daar niet vrolijk van,
en ik wordt ook niet blij.

En als ik in de kroeg sta,
met drukte om me heen,
zo tussen al die mensen,
voel ik me vaak alleen.
Ze staan met elkaar te lachen,
en proosten met hun bier,
maar ik wordt daar niet vrolijk van
en ik heb geen plezier.

Ja mensen ik weet:
het ligt aan me eigen.
Het lukt me maar niet,
om een glimlach te krijgen.
Ik zien in de spiegel
een stuk sjaggerijn.
Maar ik ken het niet helpen,
ik ken niet gelukkig zijn.

Als ik een goeie mop weet
of..

Diederik komt binnen, met een koffer.

Arie:
Goeiemorgen, Diederik. Leuk dat je er bent. Goeie reis gehad? Ik zou zeggen, doe je jas uit.

Died loopt naar voren, doet in een ruk zijn jas uit. We zien nu zijn pak. Diederik heeft een Superman-pak aan.

Arie:
Dames en heren, Diederik van Vleuten draagt een luchtig ensemble in de kleuren rood, geel en blauw met een nerveus gesneden slipje en bijpassend keepje.

Arie, in het geheel niet verbaasd, gaat de krant lezen. Diederik richt als Superman het woord tot de zaal.

  verder lezen